Het is alweer vier jaar dat ik met veel plezier het schrijven van gedichten en het maken van natuurfoto´s combineer. Daar was wel een dubbele depressie voor nodig. Het bracht mij dieper inzicht waardoor ik me nu veel meer kan richten op het hier en nu in plaats van als een kip zonder kop mezelf voorbij te rennen. Hoewel dit laatste tot op de dag van vandaag ook nog steeds gebeurd. Maar op de bodem van de punt werd wel de poëet in mij bevrijd!
Het is voor mij een kwestie van hard vallen, langzaam weer opstaan en hopen op goede dagen met net dat beetje energie, een helder hoofd en wat inspiratie. Die combinatie is de laatste twee jaar echter zeldzaam aan het worden. Maar als alles mee zit, dan zijn fotograferen en schrijven een hele fijne uitlaatklep en een prettige “dag” besteding.
Hoewel ik, denk ik, toch wel enigszins een herkenbare stijl heb in mijn foto’s en gedichten, ben ik niet consistent. Ik verval gemakkelijk in “oude” patronen die mijn autistische brein mij opdringen. Dat merk ik vooral bij het maken van gedichten. Mijn brein vindt namelijk bijna altijd dat er gerijmd moet worden. Zonder die rijm (of een bepaald ritme/hetzelfde aantal lettergrepen) voelt een gedicht voor mij al snel niet goed. Maar anderzijds klinkt dan altijd een stemmetje die dat rijmen van laag niveau vindt. Maar misschien heb ik nu mijn niche gevonden. Tijdens enkele uitzendingen van DWDD werd ik aangenaam verrast door de gedichtjes van Lévi Weemoedt en Hans Dorrestein. Ik (her)ontdekte de light verse binnen de poëzie. Het deed mij goed èn inspireerde mij (onbewust) enorm. In ieder geval maakte het, kortstondig, iets in mij los want toen ik een groepje spreeuwen zag overtrekken:

 

 

Vogeltrek

ritsen vogels vliegen zuid
op weg naar warme kusten

op z’n Provençaals gekruid
zou ik ze best wel lusten